Startpagina | Zoeken | Soort identificeren | Taxonomische boom doorbladeren | Quiz | Over deze website | Geef uw mening

Gomphus pulchellus Sélys, 1840
Plasrombout

Omschrijving [laatste larvale stadium, (fig. Gpulchel.tif)]
(naar Heidemann & Seidenbusch, 1993; Er. Schmidt, 1936b)

Lichaam sterk behaard, vrij lang. Abdomen in smalle punt eindigend. Lengte 29-31 mm. Lengte exuviae 22-25 mm bij 7-8 mm als grootste breedte.

Kop: Voorrand prementum zwak convex, iets langer dan basis van labiale palp. Mediane lob van labiale palp met een haakvormig uiteinde en een basale uitspringende knik [(fig. Gpulche3.tif), detail labiale palp].

Thorax: Poten lang, voor- en middentibia met duidelijke graaftand [(fig. Gomp2.tif), tibia van eerste pootpaar met graaftand].

Abdomen: Abdominaal segment VI zonder laterale doorn, segment VII tot en met IX met kleine laterale doorn [(fig. Gpulche1.tif) en (fig. Gpulche4.tif), abdomen (ventraal)]. Dorsale doorn op segment IX, soms ook op segment VIII, aanwezig. Segment IX aan de basis bijna even lang als breed, segment X (bijna) even lang als breed [(fig. Gpulche2.tif), uiteinde abdomen vrouwtje (ventraal)].

Adulten

(fig. Gpulchef.tif), adult vrouwtje
(fig. Gpulchem.tif), adult mannetje

Levenswijze

Bewoner van grote vijvers, meertjes, leemplassen en kanalen, dikwijls in de omgeving van stromend water. Vroeger op enkele plaatsen in Gelderland en Noord-Brabant ieder jaar in grote massa's bijeen aan grote leemplassen (Lieftinck, 1926); ook nu nog het meest bij leemplassen. Gomphus pulchellus in de enige inheemse Gomphide die zich vooral ophoudt in de nabijheid van stilstaand water. Ook de larven ontwikkelen zich hierin. De soort is aan rivieren en beken veel zeldzamer.

Het eierleggen

Over de paring en ei-afzetting zijn geen nadere gegevens bekend.

Larvale ontwikkeling

De eieren zijn heel klein, ovaal van vorm met aan het einde een kort cylindrisch verlengstuk, waarin een kleefstof zit die het ei ter plaatse vastplakt. De jonge larfjes komen na zes tot acht weken uit. Ze verbergen zich in de modder, waar ze ook de verdere ontwikkeling doormaken. Robert (1958) vermoedt, dat ze 14 tot 15 vervellingen doorlopen en vier tot vijf jaar over hun ontwikkeling tot imago doen. De exuviae zijn in juni bijvoorbeeld aan bladeren van zeggen (Carex) die in het water staan, te vinden, meestal tot tien cm boven de waterspiegel. Voor een fraaie fotoreportage in kleur van het uitkomen van een imago, zie Jurzitza (1978b).

Vliegtijd

In Nederland van de laatste dagen van mei tot de eerste dagen van augustus, het meest in juni.

Verspreiding

In Nederland alleen in het oostelijk deel. De soort is in Duitsland ook ter hoogte van de provincie Groningen en Drenthe op diverse plaatsen juist over de grens aangetroffen (zie hiervoor o.m. Ziebell, 1976), zodat ze bij ons nog wel noordelijker dannu bekend is, zou kunnen voorkomen. Gomphus pulchellus lijkt op het ogenblik de minst bedreigde Gomphide van West-Europa te zijn.
(fig. Gpulch50.tif), 29 uurhokken, 52 waarnemingen, periode tot 1950
(fig. Gpulch90.tif), 49 uurhokken, 87 waarnemingen, periode 1950 t/m 1989
(fig. Gpulch95.tif), 35 uurhokken, 45 waarnemingen, periode 1990 t/m 1994

Fauna-element

Atlantomediterraan, van relatief stationair karakter. In Europa verspreid over Spanje, Frankrijk, Zwitserland, België, Nederland en West-Duitsland. Ontbreekt op de Britse eilanden, in Denemarken, Skandinavië en verder buiten Europa. De soort lijkt haar areaal gedurende deze eeuw te hebben uitgebreid (Rudolph, 1980).

(bewerkt naar Geijskes & van Tol, 1983)

Plasrombout (Gomphus pulchellus)